Het schenken aan goede doelen via de eigen vennootschap staat opnieuw in de belangstelling. Aanleiding daarvoor is het rapport Beter Geven III. In dit rapport pleit een commissie van deskundigen, in opdracht van branchevereniging Goede Doelen Nederland en Interkerkelijk Contact in Overheidszaken, voor een alternatief voor de per 1 januari 2025 afgeschafte regeling ‘geven uit de vennootschap’.
Schenkingen aan een Algemeen Nut Beogende Instelling (hierna: ANBI) of aan een steunstichting SBBI zijn in beginsel vrijgesteld van schenkbelasting. Als wordt geschonken vanuit de (eigen) vennootschap, dan komt de gift onder voorwaarden in mindering op de belastbare winst. Dit kan tot een bedrag van 50% van de winst, met een maximum van € 100.000. Hierdoor wordt de verschuldigde vennootschapsbelasting verlaagd.
Vanuit fiscaal oogpunt komt de vraag op of de vennootschap überhaupt giften kan doen, of dat hier het motief van de aandeelhouder aan ten grondslag ligt. Als sprake is van een aandeelhoudersmotief, dan wordt een gift door de vennootschap namelijk gezien als een dividenduitkering aan de aandeelhouder (belast in box 2 en onder inhouding van dividendbelasting), gevolgd door een schenking van de aandeelhouder in privé aan het goede doel.
Afschaffing regeling “geven uit de vennootschap”
In 2024 was het op grond van de regeling ‘’geven uit de vennootschap’’ mogelijk om zonder heffing van inkomstenbelasting (box 2) te schenken aan een ANBI. De gedachte achter de regeling was dat vermogen dat blijvend ten goede komt aan het algemeen nut, onder voorwaarden niet direct tot belastingheffing in box 2 moet leiden.
Deze regeling is per 1 januari 2025 afgeschaft, omdat de wetgever de kans op oneigenlijk gebruik te groot achtte. Als gevolg hiervan wordt een schenking door de vennootschap in beginsel behandeld als een belaste uitdeling aan de aandeelhouder. Dit geldt overigens alleen voor zover de gift door de vennootschap méér bedraagt dan de bestaande giftenaftrek in de vennootschapsbelasting. Dus tot maximaal 50% van de winst met een maximum van € 100.000 per jaar.
Schenken ondernemingsvermogen aan een ANBI
Door afschaffing van de regeling geven uit de vennootschap is het fiscaal minder aantrekkelijk geworden om via de vennootschap vermogen in te zetten voor het algemeen nut. Dit speelt ook een rol als de aandeelhouder ondernemingsvermogen wil schenken of nalaten aan een ANBI-stichting.
Volgens de Commissie is hierdoor een onevenwichtig fiscaal speelveld ontstaan. Daarbij wijst de commissie erop dat overdracht van een onderneming aan natuurlijke personen onder voorwaarden fiscaal kan worden doorgeschoven, terwijl een schenking van een onderneming aan een ANBI tot box 2-heffing leidt. Hiervoor worden in het rapport Beter Geven III oplossingsrichtingen genoemd.
In het rapport worden verschillende oplossingsrichtingen genoemd. Daarbij kan worden gedacht aan (i) herinvoering van de regeling geven uit de vennootschap, maar dan met aanvullende voorwaarden, (ii) een doorschuifregeling of (iii) een conserverende aanslag.
De eerste variant is herinvoering van de oude regeling, in de vorm van een volledige vrijstelling in box 2, voor zover box 2-aandelen of ondernemingsvermogen worden geschonken aan een ANBI. Volgens de commissie zouden daarbij wel aanvullende voorwaarden en waarborgen moeten gelden, zoals strengere eisen aan de ontvangende ANBI en extra verantwoordingsverplichtingen. De tweede variant is een doorschuifregeling. Bij de doorschuifregeling wordt de belastingclaim niet geheel vrijgesteld, maar wordt deze ‘doorgeschoven’ naar de ANBI. Deze mogelijkheid geldt ook in de situatie van een schenking van ondernemingsvermogen aan een natuurlijk persoon. Vanwege de complexiteit heeft deze regeling niet de voorkeur. Als derde mogelijkheid noemt de commissie de invoering van een conserverende aanslag. In dat geval wordt wel een aanslag opgelegd, maar hoeft deze pas te worden betaald als zich later bepaalde omstandigheden voordoen. Voorbeelden van dergelijke omstandigheden zijn situaties waarbij het geschonken vermogen terugvloeit naar de schenker of een gelieerde partij of de situatie dat de ANBI ophoudt te bestaan.
Welke variant uiteindelijk het meest kansrijk is, zal mede afhangen van de vraag in hoeverre een nieuwe regeling uitvoerbaar is en voldoende bescherming biedt tegen misbruik.