Artikelen

Herstelwet en Overbruggingswet box 3 zijn in strijd met het eigendomsgrondrecht en het discriminatieverbod

Publicatiedatum: 7 juni 2024

Op 6 juni 2024 heeft de Hoge Raad een vijftal belangrijke arresten gewezen over box 3. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de Herstelwet en de Overbruggingswet nog steeds strijdig zijn met het eigendomsgrondrecht van het discriminatieverbod van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM). Belastingplichtigen die belang kunnen hebben bij dit arrest worden hierover per brief geïnformeerd door de Belastingdienst.

Herstelwet en de Overbruggingswet naar aanleiding van het kerstarrest

Aanleiding is het Kerstarrest van de Hoge raad van 24 december 2021. Daarin werd geoordeeld dat het geldende box 3-stelsel vanaf 2017 strijdig is met het EVRM. Rechtsherstel werd geboden in de vorm van de Herstelwet (van toepassing van 2017 tot en met 2022) en de Overbruggingswet (van toepassing vanaf 2023). De belastingheffing onder de Herstelwet en de Overbruggingswet is gebaseerd op de forfaitaire spaarvariant. In dat systeem wordt belasting geheven op basis van een forfaitair rendement waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende categorieën, te weten spaartegoeden, overige bezittingen en schulden. Elke categorie kent een eigen percentage aan forfaitair rendement.

De Hoge Raad oordeelde op 6 juni 2024 dat deze systematiek nog steeds discriminerend werkt. Ten aanzien van de categorie banktegoeden wordt het werkelijke rendement in de regel goed benadert. Daarentegen is met betrekking tot de categorie overige bezittingen nog steeds sprake van strijdigheid met het verdragsrechtelijke discriminatieverbod en het eigendomsgrondrecht. Het maakt daarbij niet uit hoe groot het verschil is tussen het forfaitaire rendement en het werkelijke rendement. Ieder verschil leidt tot een schending.

Tot slot heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het achterwege laten van een rentevergoeding op belastingteruggaves in box 3 niet strijdig is met het EVRM, tenzij het bedrag aan wettelijke rente hoger is dan het bedrag van de belastingvermindering in box 3.

Rechtsherstel op basis van het werkelijke rendement

Voor gevallen waarin het werkelijk rendement lager is dan het forfaitaire rendement moet rechtsherstel worden geboden. De Hoge Raad heeft aangegeven dat dit rechtsherstel plaatsvindt door het werkelijk behaalde rendement te belasten in box 3.

De bewijslast hiervoor ligt bij de Belastingplichtige. Die moet de omvang van het werkelijke rendement aantonen. De Hoge Raad heeft aangegeven hoe het werkelijke rendement moet worden bepaald. Bij de vaststelling van het werkelijke rendement:
• moet het rendement op het gehele vermogen van de belastingplichtige in box 3 in aanmerking worden genomen (dus met inbegrip van de banktegoeden), zonder aftrek van het heffingsvrije vermogen;
• is het nominale rendement het uitgangspunt, dus er wordt geen rekening gehouden met inflatie;
• wordt er geen rekening gehouden met positieve of negatieve rendementen in andere jaren;
• wordt niet alleen rekening gehouden met de voordelen zoals rente, dividend en huur, maar worden ook de positieve en negatieve (niet-gerealiseerde) waardeveranderingen in aanmerking genomen;
• wordt geen rekening gehouden met kosten;
• wordt voor de categorie schulden wel rekening gehouden met de daarop betrekking hebbende rente.

De Staatssecretaris van Financiën heeft aangegeven dat de belastingplichtigen die belang hebben bij dit arrest worden geïnformeerd per brief van de Belastingdienst. Op dit moment ontwikkelt de Belastingdienst een digitaal formulier ‘opgaaf werkelijke rendement’. Hiermee kan de belastingplichtige naar verwachting zijn werkelijk behaalde rendement doorgeven.

Conclusie

Met dit arrest heeft de Hoge Raad een stap gezet in de compensatie van belastingplichtigen in box 3 onder de Herstelwet en de Overbruggingswet. Daarbij is duidelijkheid gegeven over het begrip werkelijk rendement. De belangrijkste aandachtspunten daarin zijn wat ons betreft het in aanmerking nemen van ongerealiseerde waardeveranderingen en het niet in aanmerking mogen nemen van kosten. Met name voor belastingplichtigen met onroerend goed in box 3 is het maar de vraag of dit gunstig uitpakt, vooral als er geen sprake is van onroerend goed ter belegging maar voor eigen gebruik (zoals een vakantiewoning). Praktisch gezien kan het vaststellen van het werkelijke rendement voor belastingplichtigen met overige beleggingen en voor belastingplichtigen met onroerend goed ingewikkeld zijn doordat rekening moet worden gehouden met ongerealiseerde waardeveranderingen. Wij helpen u graag hierbij.

Stel uw vraag aan een specialist

Wilt u meer weten? Neem dan gerust contact met ons op.

Pieter Dekkers MSc

Belastingadviseur

Pieter is in 2022 gestart bij Zantboer & Partners. In 2013 is hij afgestudeerd in fiscale economie aan de Universiteit van Tilburg. Daarna heeft hij ervaring opgedaan in de fiscale adviespraktijk voor met name familiebedrijven en hun aandeelhouders. Pieter is van huis uit vertrouwd met de vraagstukken waar een familiebedrijf mee te maken krijgt. Pieter is proactief en gaat altijd met veel enthousiasme op zoek naar de oplossing die het beste aansluit bij de wensen van de cliënt.

Contactformulier

  •  *
  •  *
  •  *
  •  *
  •  *