Op 22 november jl. heeft het Hof van Justitie een belangrijke uitspraak gedaan inzake de algemene openbaarheid van het UBO-register. Hierover schreven wij in een eerder artikel. Kortgezegd heeft het Hof geoordeeld dat de bepaling uit de anti-witwasrichtlijn die de publieke toegang tot gegevens uit het UBO-register mogelijk maakt, in strijd is met het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht op de bescherming van persoonsgegevens. Zodra de uitspraak bekend werd, is door minister Kaag van Financiën besloten om voorlopig geen informatieverstrekkingen uit het UBO-register te doen.
Op 20 december jl. heeft de minister gereageerd op Kamervragen over het UBO-register. Uit deze reactie blijkt dat op dit moment wordt onderzocht hoe de uitspraak van het Hof de Nederlandse wetgeving raakt. Meer specifiek is de vraag voor welke groepen personen of organisaties het UBO-register openbaar mag zijn. Volgens de minister blijkt uit een eerste bestudering van de uitspraak dat een onderscheid gemaakt kan worden tussen (i) bevoegde autoriteiten zoals opsporingsdiensten, (ii) Wwft-instellingen en (iii) het brede publiek.
De minister merkt op dat de informatieverstrekking uit het UBO-register aan bevoegde autoriteiten zo spoedig mogelijk zal worden hersteld. Daarnaast zullen volgens de minister Wwft-instellingen weer toegang moeten krijgen tot het UBO-register. Het UBO-register is voor deze instellingen namelijk van belang voor het klantcontactonderzoek en de terugmeldplicht. De toegang van Wwft-instellingen tot het UBO-register ligt echter complexer dan bij de eerste categorie. Hier wordt daarom nader onderzoek naar gedaan. Tot slot blijkt uit de uitspraak van het Hof dat de gegevens uit het UBO-register ook toegankelijk mogen zijn voor organisaties en personen met een legitiem belang. Het Hof noemt daarbij als voorbeeld de pers en maatschappelijk organisaties. Nader onderzocht wordt wanneer een persoon of organisatie een legitiem belang heeft en het UBO-register dus mag raadplegen.